Wat is ouderbetrokkenheid?

Ouderbetrokkenheid is een belangrijk thema, in het onderwijs maar ook daarbuiten. Immers waar andere volwassenen dan de ouders met kinderen en jongeren werken, ontstaat ook een samenwerking met ouders. Meestal is dat de leerkracht, mentor of docent, maar het kan ook om een pedagogisch medewerker, kinderverpleegkundige of voetbaltrainer gaan. Samen met de ouders zijn zij verantwoordelijk voor een deel van de ontwikkeling van het kind, de jongere. Hieronder volgt een uitwerking over ouderbetrokkenheid in het onderwijs.

Definitie ouderbetrokkenheid:

School en ouders werken effectief en efficiënt samen om de leerling steeds meer verantwoordelijkheid over zijn eigen ontwikkeling te geven (het eigenaarschap van de leerling). Deze ontwikkeling is gericht op het vergroten van kennis en sociale vaardigheden om hem tot een zelfverantwoordelijke burger te vormen.

© 2019, Peter de Vries

Ouderbetrokkenheid is effectief en efficiënt samenwerken met ouders, om het kind, de jongere, steeds meer verantwoordelijkheid over zijn eigen ontwikkeling te geven. Ouderbetrokkenheid vindt vooral thuis plaats. Deze thuisbetrokkenheid heeft vooral effect. Van bijvoorbeeld meehelpen op school worden kinderen en jongeren worden niet perse beter. Dat wil niet zeggen dat meehelpen fijn kan zijn. De vraag is hoe je bijvoorbeeld als leraar deze thuisbetrokkenheid positief kunt beïnvloeden. Op een effectieve manier, want samenwerken met ouders moet iets opleveren. En efficiënt: doe vooral de goede dingen, want ouderbetrokkenheid wil niet zeggen dat ouders overal bij betrokken moeten worden. Het belang van het kind, de jongere, staat voorop. Op deze manier geeft ouderbetrokkenheid meer rust en plezier in het werk.

Welk effect?

Het effect van ouderbetrokkenheid? Als het over onderwijs gaat: onderzoeken laten bijvoorbeeld zien dat alle ouders kunnen bijdragen aan de onderwijsresultaten van hun kinderen. Dit effect wordt aangetoond bij gezinnen van alle economische achtergronden en opleidingsniveaus en bij leerlingen van alle leeftijden. Dat geldt ook voor het welbevinden van kinderen/jongeren. Wat betreft bijvoorbeeld de voorschoolse opvang: kinderen doen het beter wanneer informatie over het kind met ouders wordt gedeeld en wanneer ouders betrokken worden in beslissingen over het programma dat het kind volgt.

Ook voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs

Ouderbetrokkenheid is toch vooral iets voor jonge kinderen? Nee hoor, ouderbetrokkenheid is altijd belangrijk. Wel is het zo dat de verantwoordelijkheid van ouders afneemt naarmate kinderen ouder worden. Maar de betrokkenheid van ouders blijft groot. Het wordt wel anders: bij jonge kinderen gaat het om heel concrete hulp, bij jongeren gaat het veel meer om het coachen thuis. Coachen bij huiswerk voor school of muziekles, coachen bij de planning enzovoort. Coachen is iets anders dan controleren. Coachen zorgt voor het bijbrengen van inzicht waardoor het gedrag positief wordt beïnvloedt. Al kan dat in de puberteit soms best lastig zijn.


De Six Types of Involvement van Prof. Dr. Joyce Epstein worden wereldwijd gebruikt om ouderbetrokkenheid in het onderwijs te vergroten.

In Nederland wordt ook wel gewerkt met de zes standaarden van de Amerikaanse Parent Teacher Association (PTA). Deze zijn afgeleid van deze Six Types of Involvement van Epstein.

Met de Six Types of Involvement van Epstein ga ik terug naar de basis. In mijn promotieonderzoek als buiten-promovendus aan de Universiteit Utrecht onderzoek ik hoe volgens leraren en ouders de Six Types of Involvement van Epstein het beste kunnen worden vormgegeven op Nederlandse scholen.

Hieronder volgen de Six Types of Involvement van Joyce Epstein (vertaling Cox & De Vries, 2019).

Bronnen:

Epstein, J.& Associates (2009, 3th edition). School, Family, and Community Partnerships. Your Handbook for Action. California: Corwin Press.

Vries, P. de (2019, 3e druk). Handboek Ouderbetrokkenheid 3.0. Amersfoort: CPS.


Zelfdeterminatie Deci & Ryan

Professor Luc Stevens introduceerde de Zelfdeterminatietheorie van Deci & Ryan in het Nederlandse onderwijs om leerlingen te motiveren en te betrekken bij hun eigen leerproces (Stevens, 2009). Voor de motivatie van leerlingen is het van belang hen in hun drie psychologische basisbehoeften relatie, competentie en autonomie te versterken.

Niet alleen leerlingen

Het mooie is dat de theorie over deze drie psychologische basisbehoeften haar oorsprong kent in de motivatietheorie die niet alleen voor leerlingen van toepassing is, maar evengoed voor volwassenen. Het waren Deci en Ryan die deze universele basisbehoeften voor alle mensen benoemden.

Het geldt ook voor leraren. De meeste leraren zijn sociaal ingesteld, hechten aan relaties en kozen daarom voor het onderwijs. Zij werken met een klas vol leerlingen en maken deel uit van een team en hebben in meerdere of mindere mate contact met ouders van de leerlingen. Zij willen goede leraren zijn, zich competent voelen voor hun werk, maar ook door hun leidinggevende, collega’s en ouders competent worden beschouwd en bejegend. En ten slotte hechten ook leraren waarde aan hun autonomie: zij zijn de professional voor de klas en willen hun passie vormgeven door les te geven zoals zij voor ogen hebben en denken dat goed is voor de leerlingen.

Ook ouders

Maar wat voor leerlingen en leraren geldt, geldt ook voor ouders. Op hun eigen manier hebben ze behoefte aan relaties op school, bijvoorbeeld met de mentor of met ouders van klasgenoten. Ze willen graag dat het goed gaat met hun kind als gevolg van het feit dat ze competente opvoeders zijn. Ten slotte willen ze graag dat hun autonomie wordt erkend op school en ze dus ook hun eigen keuzes kunnen maken.

Als we voorbij gaan aan de basisbehoeften van ouders werken we met hun kinderen zonder een relatie met de ouders op te bouwen. We doen geen beroep op hun opvoedcompetenties wanneer we ouders vertellen dat ze de school vooral moeten vertrouwen in bijvoorbeeld de pedagogische aanpak van hun kind, en ouders het gevoel geven dat de school niet op hun inbreng zit te wachten. We hinderen de autonomie van ouders wanneer de school zonder afstemming met betreffende ouders een leerroute of aanpak voor een leerling bepaalt. Ouders hebben immers ook hun opbouwende ideeën.

Wil je autonomie, competenties en relaties bij iedereen recht doen, dan doemt het woord gelijkwaardigheid op. Gelijkwaardigheid betekent recht doen aan en uit zijn op eigen autonomie, competenties en relaties, maar evenzeer op die van ander. Oftewel respect voor de ander en voor jezelf, en grenzen in acht nemen van jezelf en van de ander. En gelijkwaardigheid erkent ongelijkheid: iedereen respecteert de rol van de ander en wil de ander in de kracht van zijn specifieke rol zetten.

Zolang we niet sturen op het vergroten van de relatie, competenties en autonomie van ouders, moeten we niet opkijken dat passieve en over-assertieve ouders het de school lastig kunnen maken. Met ouders is meestal prima samen te werken, mits je ook een beroep doet hún behoefte aan relatie, (persoonlijke) competenties en autonomie.

Bronnen:

Deci, E.L., & Ryan, R.M. (2000). The ‘what’ and ‘why’ of goal pursuits: Human needs and the self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11, 319-338

Stevens, L., Beekers, P., Evers, M., Werkhoven & W. van (2009, 4e druk). Zin in school. Amersfoort: CPS.

Vries, P. de (2015). Zet ouders in hun kracht. 8 Aanraders. Dordrecht: Instondo.